Het verraad van bevelhebbers der Nederlandse strijdkrachten in de meidagen van 1940 , Het wonderlijke relaas van verzetsstrijder Piet van Haaren over het begin van de oorlog

bron ; http://www.sdnl.nl/piet-van-haaren.htm , aangevuld met onze eigen wetenschap . 

 foto hier naast ; Piet van Haaren (de toen al 92 jaar oude verzetsman ) die onthullingen doet over zeer merkwaardige militaire

bewegingen, met niet toereikende bewapening, met Duits lijkende namen van commandanten en de verwijdering van grensversperringen bij Heythuizen weken vóórdat de Duitsers zouden binnenvallen .

Het relaas van Piet van Haaren opgetekend tijdens een interview 16 december 2007 te Oirschot.


Petrus Antonius Gerardus van Haaren, werd geboren op 3 augustus 1915 .

‘n Woordje vooraf en de tv-uitzending over de zie ; http://www.npo.nl/die-5-dagen-in-mei-1/01-04-2013/NPS_1194170

Ik was reeds, als knaap van 16 jaar in het bezit van een zweefvliegbewijs en ben destijds zweefvlieger geweest. (daar waren ze thuis niet zo blij mee, ook al omdat ik de enige zoon was).

Ik ben ook bij de opening geweest van het vliegveld Welschap, bij Eindhoven. Daar was toen ook stuntvliegen.

Een van hen was Anna Reitze was ‘n heel klein vrouwke van 1.63 meter. ‘n Dapper ding ! Die kon nou eens stuntvliegen, die schoot de stukken uit de lucht.

Later is zij door Hitler gevraagd om de 1ste V-1 in te vliegen.

In m’n diensttijd heb ik mij bekwaamd als scherpschutter en gewoon handgranaatwerper.

In de oorlog werd ons 17e in Neer ‘t 41e regiment.

Ook beschikte ik in Neer reeds over m’n motorrijwiel DKW 125 cc. Mijn aantekeningen uit die tijd en mijn Kodak fototoestel ben ik helaas kwijtgeraakt.

Ik was gelegerd in Neer bij Roermond bij het 41e regiment infanterie; ik was aangesteld als schrijver bij het compagniescommandant.

Ik was gewoon soldaat en ik heb daar al die tijd gezeten.

Ik werd ingekwartierd en mijn bureau was net tegenover mijn kwartierplaats.

Daar was ik ook in de kost, het grootste gedeelte.

Ik was daar bij van Kessel, ‘n kleermaker/koster in Neer, en diens zoon was organist.

Ik ben daar al die tijd geweest.

Tegenover de kerk was het Gemeentehuis, daar zat ik op kantoor; dat was het compagniesbureau.

Ik had daar ‘n hele leuke tijd.

Af en toe werd ik als extra hulp in de keuken gevraagd; ik was banketbakker/kok.

Omdat ik op ‘t bureau zat kreeg ik een karabijn met 5, en ‘n FM-pistool met 10 patronen.

Op ‘n gegeven moment kwamen ze met ‘n militaire vrachtwagen handgranaten afleveren ; 2 soorten: verdedigings- en aanvalsuitvoeringen.

De slagpijpjes werden uit veiligheidsoverwegingen, apart bijgeleverd.

Die slagpijpjes zaten in ronde blikjes tussen het zaagsel.

De granaten zaten in grote houten kisten.

Dat kon geen kwaad omdat de slagpijpjes er niet in zaten.

Mijn kameraden hadden nooit geoefend om granaten te vullen met slagpijpjes en dat durfden ze daarom ook niet.

En omdat ik er wel buitengewoon goed in geoefend was, deed ik dat toen op verzoek van kapitein van der Belt: “Och dat kan van Haaren wel, die is bij de Landstorm geweest”.

Daarna waren de granaten gebruiksklaar.

De verdedigingshandgranaten waren van die dikke uitvoeringen waar veel grote groeven in zaten. De aanvalsgranaten waren glad, die waren op vermindering van luchtweerstand bewerkt en kon je daarom verder weggooien.

Eind 1939 kwam er ook `n commandowisseling. Bij ons werd kapitein van der Belt omgewisseld voor kapitein Hoffmann, de nieuwe compagniescommandant.

Voor mijn begrip, maar niet uitgesproken, een bedenkelijke naam.

Ondertussen bleef de al maandenlange geruchtenstroom aanhouden over NSB-ers, vijfde colonne en spionage.

Op ‘n dag bemerkte ik ‘n paar voor mij vreemde kerels met ‘n fototoestel die onze kazemat bij het veerhuis aan de Maas aan het fotograferen waren.

Ik heb dit gemeld aan de commandant.

Dit scheen echter weinig of geen indruk op hem te maken met de woorden: “Iedereen mag bij de Maas en het veerhuis foto’s maken; het is door niemand verboden”.

Maar ik had daarover mijn bedenkingen; echter niet uitgesproken en daar bleef het bij. 

Begin Mei 1940, op 7 en 8 Mei, werd verteld dat er Duitse soldaten bezig waren langs de grens prikkeldraadversperringen op te ruimen.

Dat was maar ‘n paar kilometer van Neer verwijderd en het veer over de Maas in de richting Swalmen, waar ook ‘n grote fabriek van prikkeldraad gevestigd was.

Ik vroeg aan kapitein Hoffmann: “Krijg ik van U verlof om met mijn motor naar de grens te rijden, met m’n Kodak fototoestel foto’s te maken van de Duitse opruimingswerkzaamheden?”.

Hij keurde aanvankelijk mijn verzoek af, maar ik bleef aandringen.

Er waren nog andere officieren en onderofficieren die ‘t er mee eens waren, omdat we dan te weten zouden komen of de geruchten klopten.

kapitein Hoffmann gaf onder voorbehoud toestemming; je moet een sergeant meenemen want ik vind het gevaarlijk.

Ik beloofde niet te dicht bij de grens te komen en foto’s te maken.

De commandant stelde voor dat we beiden ‘n FN-pistool zouden meenemen waarin een houder van 9 patronen zat.

Dat weigerde ik en zei: “Wij gaan ongewapend omdat als we ongewapend zijn durven ze niet op ons te schieten, want dan komt er echt oorlog”.

Mijn begeleider, sergeant Bosch, was het daar ook mee eens.

Toen zijn we daar bij Neer naar Helden overgestoken.

Op enige afstand van de grens zijn we afgestapt, foto’s gemaakt van de Duitse werkzaamheden.

Opeens was er niemand meer te zien.

Ik heb nog geroepen zodat ze ‘t goed konden horen: “Komm mal her, wir sind Freunde”.

Maar niemand liet zich nog zien.

Wij hebben dus gezien dat de geruchten werkelijkheid waren en dat hebben we aan de commandanten doorgegeven.

Ook kon ik maar niet begrijpen waarom de onderofficieren, die munitie moesten uitreiken, aan soldaten die zich moesten verdedigen, schieten op invallers, vijanden dus, maar met één houder met vijf scherpe patronen werden weggestuurd…

Uitreiking van handgranaten heeft volgens mij helemaal niet plaatsgevonden. I

k kon mij zelf bevoorraden omdat ik de juiste plek wist van opslag, nl. de gevangeniscel in ‘t gemeentehuis.

Hieruit kon ik mij, ongevraagd, bevoorraden; voorzien van tien of twaalf handgranaten van beide soorten.

Inmiddels was er eigenlijk al ‘n dreiging van dat er iets zou gebeuren .

red; de nederlandse legerleiding wist al op 11 januari 1940 dat er een duitse inval zou komen !!!!! zie ; http://wo2waarheden.jouwweb.nl/de-grote-leugen-dat-nederland-niets-wist-van-een-naderende-inval

Met verwijzing naar het boek ” de eerste duitse adelaar viel te vucht ” van de auteur Flor Vanloffeld

Op de bovenstaande foto Dhr. Flor Vanloffeld midden zittend met papieren in zijn hand .

Op 10 Mei 1940 begon voor ons de oorlog; ‘s morgens om 04.30 hadden de Duitsers de spoorbrug bij Roermond al veroverd met een Nederlandse trein en in Nederlandse uniformen geklede Duitse militairen.

Wij konden de beschietingen in Roermond goed horen, vooral van het zware geschut wat ik nog nooit had gehoord.

Wij waren de hele nacht al paraat na de telefonische berichten welke steeds binnenkwamen; Duitse troepen zijn de grens overgestoken, beschietingen en bombardementen met vliegtuigen en parachutisten met snelvuurwapens.

Ik werd door de compagniescommandant aangesteld als motorordonnans en kreeg ‘n karabijn met vijf patronen en ‘n FN pistool met negen patronen.

Toen ik protesteerde tegen te weinig munitie werd tegen mij gezegd: “Jij hoeft niet van je wapens gebruik te maken, onze compagnie trekt zich op bevel terug naar Heythuizen, voorbij Roggel en we moeten ons daar melden zodra de Duitsers over de Maas getrokken zijn”.

Ik heb toen onder protest van de officieren mijn gasmasker uit de tas op ‘t bureau gesmeten en heb deze tas gevuld met handgranaten, daarna ben ik met de motor naar de Maaslinie gegaan.

Ik stelde mij verdekt op achter ‘n klein kapelletje in de buurt van de kazemat welke al bezet was met één mitrailleurschutter en twee helpers.

Deze drie mensen ongeveer 30 tot 35 jaar oud waren Rotterdammers en vrienden van elkaar.

Trouwens wij waren allen vrienden en bekenden van elkaar geworden.

De drie verdedigers in de kazemat waren opgesloten door ‘n hangslot aan de achterkant van ‘n ijzeren toegangsdeur.

Ze hadden jonge of oude klare.

Die konden ze gebruiken als ze zenuwachtig werden, ‘t was daar zo ontzettend gevaarlijk! Aan de overkant van de Maas zag ik toen het licht begon te worden ‘n stuk Duits geschut, getrokken door vier paarden.

Ik wist nog van vroeger: als je ‘n paard wil doodschieten moet je het in de borst treffen; boven de eerste benen.

Ik schoot op ‘t eerste paard en raak… Het viel op de grond; er ging ‘n gejuich op van enkele collega soldaten.

Ik schat acht tot tien soldaten, die hadden gezien dat ik raak had geschoten.

Toch zagen de Duitsers kans om achter ‘n boerderij te verdwijnen.

Even later begonnen zij met hun kanon op onze kazemat te schieten

En toen begonnen ze te schieten!

Ik had nog nooit een kanon horen schieten!

Ze schoten, na vier of vijf keer richten, precies in het schietgat van de kazemat.

Die mensen die erin zaten, zijn meteen geraakt.

Ze konden er niet uit, vanwege dat hangslot!

Ze moesten er blijven zitten!

Je hoorde ze schreeuwen!

Wij hoorden onze vrienden daarbinnen gillen en kreunen, wij konden niets doen…

Dan zijn er twee dingen die bij je overkomen.

Of…. je hebt schrik en je gaat vluchten, of je wordt des duivels.

En dat gevoel had ik…

Ik werd des duivels.

Geloof niet dat je dat zelf kunt regelen.

Toen kwamen de Duitsers met rubberboten aanvaren over de Maas! Rubberbootjes met twee man en een mitrailleur.

Ik begin daar op te schieten … en raak ook … de enkelen die van onze groep er nog waren, begonnen ook te schieten.

Ik heb toen geroepen: “Visier stellen jongens, en op de bootjes richten”.

Er zijn verschillende van die bootjes lek geschoten.

Maar die Duitsers zaten er met de volle bepakking in en dat ging natuurlijk naar beneden met die rubber bootjes.

Elk schot was raak! Drie keer.

Ik was daarin getraind.

Ik was scherpschutter, maar vijf patronen zijn snel verschoten !

De jongens gingen toen vluchten naar het dorp, ik denk dat ze er gebleven zijn, ondergedoken bij de burgers.

Plotseling komt bij deze acties een vliegtuig heel laag en vrij langzaam aanvliegen; kennelijk reeds aangeschoten.

In ‘n flits legde ik aan; ik zag de piloot goed zitten in z’n beschadigde vliegtuig.

Ik mikte en schoot er mijn laatste patroon aan op.

Later hoorde ik dat hij nog in Neer was neergestort.

Er kwamen er nog ‘n paar, maar die moesten weer direct terug.

Ik heb er wel nog ‘n foto van gemaakt.

Alleen het hele toestel is verloren gegaan.

Dat heb ik achter moeten laten.

Ik ben daar zo lang mogelijk gebleven totdat ik wist nou moet ik weg zien te komen; we dreigden te worden omsingeld!

Ik moest maken dat ik weg kwam om als ordonnans door te berichten dat de Duitsers over de Maas waren bij Neer.

Ik ben daar als laatste vertrokken, op de motor, de anderen waren al weg.

Die waren naar de richting Heythuyzen, de Roggelse weg.

Ik ben tenslotte door het dorp gereden en iedereen riep: “Blijf toch hier, ge krijgt andere kleren, blijf toch hier, ga niet verder, ze schieten oe dood!”

Ik antwoordde: “Mij schieten ze niet dood”, heel brutaal…

Maar ik was ook nergens bang van.

Ze konden mij niet bang krijgen….

Ik was des duivels….

Ik had weliswaar geen kogels meer … maar wel handgranaten.

Want mijn gasmasker dat had ik eruit gehaald, wat moeten wij met ‘n gasmasker?

Want als ze met gas beginnen, dat verstand had ik toen ook al; dat als ze de wind tegen zouden krijgen, dan krijgen ze het zelf.

Dus die tas had ik vol met handgranaten

En ik had ze zelf gevuld, dus ik wist wat er in zat!

Op de uitnodiging van die mensen ging ik dus niet in. “Blijf hier!! Het is nog zund…

Ze schieten oe dood !”.

Ik zei: “Ik heb de opdracht gekregen om zo gauw mogelijk als ze hier over de Maas komen naar Heytse te rijden om de groep te waarschuwen, dat ze al over de Maas zijn”.

Nou stond er bij ons ‘n stuk pantserafweergeschut ( PAG  )uit Zweden, splinternieuw ding met granaten erbij.

En de baas was Vaandrig de Crane, dat was de commandant en dan Luitenant Bouwman, dat was ‘n jonge Luitenant, die kwam uit Eindhoven.

De vader was bij Philips een van de bazen, ‘n jonge kerel was het die Luitenant.

Die waren daar met sergeant Bos en nog ‘n paar, daar weet ik de naam niet meer van.

Die stonden daar op de Roggelse weg opgesteld, met de richting naar Neer, want daar moesten de Duitsers vandaan komen.

En toen ben ik daar naar toe gegaan en gezegd … “Als ze dadelijk komen … schieten hè”. ”

Ja maar, dat weten we nog niet zo precies”.

Ik zei: … “Potverdorie… ge hebt toch dat ding splinternieuw …”.

Ik zeg: “schiet hem in, potverdorie, oe eigen niet laten kisten, dat doe ik ook niet! \

Ik ga het nou zeggen in Heytse”.

Ondertussen kwamen er Duitse motoren met zijspan met ‘n mitrailleur erop.

“Daar komen ze aan, schieten… potverdomme…!”.

Durfden ze niet … hebben d’r eigen overgegeven … met splinternieuw geschut !!

Ze zijn krijgsgevangen gemaakt.

De Duitsers schoten op mij omdat ik vlug weg reed ….

Maar ik reed zigzaggend over de weg.

Ik was niet bang, ik was gewoon niet bang te krijgen …. ik dacht ik schiet ze verrot…

Ik was er zo kwaad op.

Vooral omdat ze in die kazemat geschoten hadden.

Die mensen lagen daar dood te bloeden.

Ik kende ze goed die jongens.

Die kwamen allemaal bij mij op ‘t compagniesbureau, als ze iets moesten hebben.

Die kenden ik allemaal!

Daarom was ik zo ontzettend kwaad op die Duitsers.

Ik ben dus vertrokken daar bij dat PAG want die durfden toch niks.

Ik dacht ik kan hier niets meer doen.

Ik ben als laatste uit Neer vertrokken … zigzaggend over de Roggelse vluchtweg.

De Duitsers schoten op mij omdat ik daar vandaan reed met m’n motor.

Lang durfden ze dat ook niet, want tussen ons in stonden onze officieren met handjes in de lucht.

En toen heb ik onder de Roggelse weg gekeken, waar ergens ‘n riolering onder de weg was of ‘n buis, daar heb ik toen ‘n paar handgranaten ingegooid.

Om de weg open te breken!!

Ik weet niet of dat wat geworden is.

Ik heb er niet op staan wachten.

Want het is met ‘n handgranaat zo, als je de splitpen eruit trekt dan is het … 21…22…23… en dan gooien en dan komt bij 24 net boven de grond …. de ontploffing bij 25 … dat is dan bij de tegenpartij.

Dat was ons geleerd en ik heb ‘t geprobeerd, of de weg ook is opengeklapt dat weet ik niet.

In ieder geval wilde ik verhinderen dat ze verder konden oprukken.

En ik ben zonder ‘n seconde te verliezen gewoon doorgereden naar onze compagniesafdeling die was nog gewoon bij elkaar.

Onze kapitein, Hoffmann, daar heb ik de laatste maanden bij op kantoor gezeten; en daar stonden zij ….!!

Ik zeg: “De Duitsers zijn de Maas over”.

Dat kom ik efkens vertellen, want ik heb niet voor niks ‘n eigen ordonnansmotor…

Ze zeiden: “dat is goed dat we dat weten, dan gaan we verder terugtrekken”.

Toen zeiden ze tegen mij ( er waren verschillende groepen bijgekomen ): “Je hebt ‘n eigen motor, je bent niet bang, wil jij de colonne (in de colonne waren keukenwagens en van allerhande munitiewagens en de hele reutemeteut, allemaal paard en wagen ) voorbij rijden en daar waar de officieren zijn gaan zeggen dat ze onder de bomen moeten schuilen.

Ik antwoordde: “Dat wil ik wel doen, maar ik ben geen officiële ordonnans, mag ik dan een briefje van u hebben”. “

Ja natuurlijk’, en het briefje werd gemaakt met de naam van die officier erop.

En ik met dat briefje op zak naar voren gereden.

Dat was toch wel ‘n kilometer lang waar ze opgesteld konden worden.

Ik zei hen dat ik ‘n opdracht had van de officier. “

U moet hier onder de bomen schuilen, want jullie mogen voorlopig niet verder totdat je ‘n volgend bericht krijgt”.

Nou daar komt een luitenant op ‘n grote motor aangereden en die zegt: “Wie heeft hier bevolen om hier te stoppen onder de bomen?”. “

Ja, hier deze ordonnans!”.

“Ah!, die moet geliquideerd worden.

Die moet doodgeschoten worden want dat is ‘n deserteur of van de 5de colonne”. Maar de officieren antwoordden dat ik wel een briefje bij me had.

Ook toevallig dat ik dat gevraagd had!

Daar heb ik 100% geluk mee gehad. (Later heeft die Luitenant zich bij de Belgisch/Franse grens doodgereden)

De hele colonne stond onder de bomen op de weg naar Someren stil.

Daar hadden we de nacht doorgebracht.

Dat was vrijdagavond. In ‘t donker moesten we in ‘n ambachtsschool gewoon op de vloer en ik geloof niet dat we wat te eten hadden. I

k ben blijven zitten, ik heb niet gelegen.

Op ‘n gegeven moment kwam er ‘n ouder echtpaar uit Eindhoven, dat bleek de vader en moeder te zijn van Luitenant Bouwman en die vroegen eigenlijk aan de hele groep. “Weet iemand iets van onze zoon”. “

Uw zoon, wie is dat? “. 

Ja, dan moet je bij van Haaren zijn, die zit daar”.

En toen kwamen ze naar mij toe.

Ze vroegen aan mij of ik wat van hun zoon wist “Uw zoon heeft zich overgegeven en is krijgsgevangen gemaakt”.

Hoe het daarmee zou zijn?

Dat wist ik ook niet.

“Als hij krijgsgevangen is gemaakt is hij niet zomaar dood geschoten” veronderstelde ik.

(Maar zelf dacht ik van wel, maar zeker was ik er niet van; dus kan je dat ook niet zeggen!)

Ik zei: “Oh, dan zit hij niet slecht, want wij moeten er nog aan beginnen en hij is er in ieder geval vanaf.

Ik heb hen uitgelegd; de omstandigheden waarin zij dus waren, met dat pantserafweergeschut.

Ze hebben niet geschoten, dat weet ik zeker; dat durfden ze niet.

Ze hebben direct alle handjes in de lucht gestoken!

En ze vroegen mij: “Hoe ben jij er dan door gekomen?”.

Ik vertelde hun dat ik gewoon zigzaggend over de weg was gereden, want ik moest ‘n bericht doorgeven in Heythuizen dat de Duitsers over de Maas waren.

Morgen gaan we weer verder of vannacht al waarschijnlijk.

Toen ben ik op de motor door Eindhoven en in Oirschot thuis geweest, gauw een paar pakjes kauwgum meegenomen.

Toen zeiden ze me thuis te blijven omdat iedereen thuis bleef.

Ik antwoordde: “Nee, als ik thuis blijf, dan schieten ze me dood omdat je dan ‘n deserteur bent”.

Dat geloofde niemand meer, maar ik zelf wel!

Ik had al wat meegemaakt.

Ik dacht dat doe ik nooit.

Ik had trouwens ook geen interesse om thuis te blijven want ik had zo’n verrekte hekel aan die Duitsers.

Ik had ze wel kunnen vermoorden bij wijze van spreken.

In ieder geval ben ik toen vanaf Oirschot richting Tilburg naar Breda gereden.

Daar bij Gilze-Rijen reed ik met m’n motor over de verkeersweg Tilburg-Breda dat was toen ‘n smalle weg, ‘n macadamweg met aan weerszijden bomen en ik hoorde en zag de kogels van overvliegende vliegtuigen als druppels over de weg vliegen.

Ik dacht; “Potverdomme gelukkig dat ze me nog niet geraakt hebben”.

Toen ben ik in die omgeving achter ‘n schutting in dekking gegaan.

Toen het rustiger werd ben ik verder doorgereden en arriveerde ik op ‘n gegeven moment in Tholen aan de brug.

Toen zijn er heel veel naar de waterlinie getrokken: Vesting Holland. En zo kwam door deze omstandigheden een gedeelte van de Peel-Raamstelling soldaten in deze vesting terecht.

Bij de brug bij Tholen werd gepost door soldaten en officieren: “En, waar kom je vandaan?”.

Ik was militair gekleed natuurlijk en ‘n karabijn om m’n nek en ik zei: “Ik kom uit de Maaslinie, bij Maastricht”.

“Wat kom je hier dan doen?”

Ik antwoordde: “Dat zou je niet vragen als je Duitsers zelf was tegengekomen, dan praatte je wel anders!”.

“Ben je dan gevlucht”.

“Nou moet je ‘ns goed luisteren: nee, ik ben niet gevlucht; ik ben teruggetrokken, want vluchten dat kan ik niet.

Dat doe ik nooit en voor niemand!”.

Ja, ze konden het daarvoor die brug niet begrijpen. Ik zei tegen die officier: “Zo gauw als ze hier in de buurt komen, dan begrijpen jullie het makkelijk!”.

Verder hoefde ik niet meer te vertellen.

Ik ben daar in Tholen een huis binnengegaan en ik werd daar opgenomen.

Ik ben daar een dag gebleven en ik heb water gekregen.

Ook anderen van onze groep kwamen daar aan.

Op ‘n gegeven moment moesten we van Stavenisse naar Wemeldinge, toen zijn we overgestoken op ‘n aardappelschuit, m’n motor ook mee.

“Zorg, dat er geen benzine uitloopt; anders zijn mijn aardappels niets meer waard”.

Daar zorgde ik wel voor.

En aan de overkant, potverdorie, kwam ik ‘n heel gedeelte van die club waar ik bij zat, weer tegen.

Daar moest gefoerageerd worden!

Het was Maandag toen ik weer bij m’n hele club was, tenminste ‘n groot gedeelte waaronder ook Kapitein Hoffmann.

Hij begroette mij en zei: “Kijk ‘ns aan, we zien elkaar nog eens”.

Ik grapte terug : “Jullie hebben ook hard gelopen”.

Hij zei: “Jij nog harder en hoe is het jou vergaan?”.

Toen moest er gefoerageerd worden en daarna zijn we bij ‘n bakker geweest en daar hadden ze alleen maar van dat platte Zeeuwse brood.

Ik heb die bakker in Wemeldinge en z’n dochter Saartje geleerd hoe je goed brood kunt maken zonder gist.

Ze waren er me dankbaar voor !

Na ‘n paar dagen, wij hadden ondertussen weer meer patronen gekregen, moesten we weer vertrekken en oversteken met ‘n veerboot van Vlissingen naar Breskens.

Toen we in Vlissingen met heel de club verzameld waren kwamen er plotseling vijandelijke parachutisten.

Ik begon daar meteen op te schieten.

Toen ze me vertelde dat je daar niet op mag schieten … reageerde ik:

“Hoezo mag dat niet?

Zij beginnen zelf te schieten!”.

“Nou volgens de Conventie van Genève mag je niet op parachutisten schieten.

Dat zijn vliegers die hun wapen verlaten hebben; die moeten vluchten zonder wapen”. Ik antwoordde : “Die hebben betere wapens dan wij.

En nou schieten … want als die naar beneden komen dan krijgen wij er moeite mee”.

Maar ze vonden dat het moeilijk was ze te raken!

“Schiet dan niet op de mennekes maar op de parachutes dat zijn van die lange banen die scheuren dan in een keer open”.

Nou en dan kwamen ze als kluiten omlaag.

Soms waren daar ook vrouwen bij en die riepen: “Nicht schießen, wir ergeben uns”.

Ik riep dan naar hen: “Ja, maar wij niet!”.

Hoeveel er daar gesneuveld zijn weet ik niet.

Na deze onverwachte vertraging staken wij alsnog over naar Breskens.

Daar konden we ook niet blijven want er waren daar ook regelmatig parachutisten.

Ik moest toen mee naar Cadzand.

Mijn motor heb ik daar bij mejuffrouw Blankert neergezet.

Tijdens onze patrouilles kwamen we gelande Duitse soldaten tegen die door ons werden gedood waarbij mijn specialiteit van scherpschutter ons goed van pas kwam.

Maar er zat nog een mitrailleursnest langs de openbare weg.

En er zaten, naar later bleek, drie Duitsers achter een zware mitrailleur.

Als er over die weg militairen kwamen dan werd er door die mitrailleur op geschoten.

“Kan jij daar iets aan doen, Piet?”.

Ik antwoordde: “Ikke wel, ik zal wel eens effe kijken.”

Toen probeerde ik te weten te komen waar die mitrailleur precies zat.

En ik zag aan de richting van hen vuur waar ze zaten.

Positie was op ongeveer 150 meter afstand aan de linkerkant in de sloot langs de weg.

Ik kroop er zo dicht mogelijk naar toe. E

n toen heb ik er een aanvalshandgranaat naar toe geworpen en een verdedigingshandgranaat; toen was ‘t afgelopen.

Ik ben niet gaan kijken, want dat durfde ik niet, want ik dacht, verbeeld je dat er nog een leeft en die schiet mij dan dood.

Zo was het goed; het was afgelopen.

Later hebben ze tegen mij gezegd. Nou, gij hebt ‘n goede beurt gemaakt want ze waren er niet meer.

Ze waren gesneuveld.

Ik zei: “Nou prachtig want het vuur was opgeruimd.

Toen ben ik weer teruggegaan naar Cadzand. ‘s Nachts liepen we herhaaldelijk patrouille.

Dat was dag en nacht op; slapen was er niet bij.

Toen hoorden we dat ‘n Engelse torpedojager was geland bij Cadzand.

Daar waren verschillende officieren aan land gekomen en daar was ook Prins Bernard bij.

Ik dacht: “Potverdorie, die wil ik zien ”

En ik heb hem gezien!

En ik heb er een hand van gekregen en die heeft mij gefeliciteerd en succes gewenst.

Ik zeg: “Als ik nou in Engeland terecht kom (wat de bedoeling was) dan wil ik wel graag vliegenier worden; piloot want ik heb een zweefvliegbewijs”

Hij antwoordde dat, als ik zover kwam, ik mij moest melden en dan proberen dat te realiseren.

Dat heeft hij tegen me gezegd.

Ik was fanatiek, ik dacht, piloot, iets aparts. Enfin… misschien was ik er dan nu niet meer geweest!

Dan had er misschien ‘n standbeeldje gestaan… maar ik zou wel mijn best hebben gedaan… dat in ieder geval. ‘n Paar dagen later moesten we al onze wapens inleveren en onze helm, maar onze putties mochten we behouden.

Voor het vertrek ontvingen wij van die hele grote mens, Majoor Lam, de generale absolutie.

We moesten allen met onze groep, zo’n 25 man die toen bij mekaar waren, knielen.

Dat hield dus in dat je maar ‘n gebedje na hoefde te zeggen en dan waren al uw zonden vergeven.

En als er iets gebeurde, dan kon je niets overkomen, je ging rechtstreeks naar de hemel.

Majoor Lam zei dat het de bedoeling was ons naar Engeland over te brengen.

Toen gingen we op vrachtwagens en we reden vanaf Cadzand via de Belgische kust en Oostende naar Pas de Calais.

Hier staken wij de grens over richting Duinkerken.

Later hoorde ik vertellen dat een Luitenant die mij daar in Limburg had willen liquideren, bij Pas de Calais met z’n motor verongelukt was, tegen ‘n muur of boom gereden.

In Duinkerken kwamen we in de Jean Baert kazerne.

In de gebouwen konden we niet blijven; die werden iedere nacht beschoten, gebombardeerd.

Toen hadden ze loopgraven op de uitgestrekte binnenplaats; het exercitieterrein gemaakt.

Daar moesten we ‘s nachts in schuilen.

En dan kwamen er weer van die Stuka’s over; weer dat geratel van machinegeweren met hier en daar brandbommen.

Dat kon mij niet veel schelen, want ik was eigenlijk te brutaal, achteraf gezien misschien te overmoedig.

Maar iedereen had er plezier in als ik onder dat hels kabaal stond te fluiten of te zingen.

Ik moest toch iets doen … we konden niet schieten; we hadden geen wapens!!

We moesten de moraal hoog houden en dat deed ik dus wel.

Iedereen was er tevreden over, want dan kwamen soms die officieren kijken wie er zo’n herrie aan het maken was.

“Het is altijd dezelfde” zeiden ze, “die geeft nergens niks om en is nergens bang van”. Ik reageerde dat ik ook nergens bang voor was.

Ik kon die doodbloedende Rotterdammers daar in de kazematten van Neer niet uit mijn gedachten krijgen.

Ik bleef laaiend woedend!

We hebben toen daar een paar dagen praktisch zonder eten, gezeten… toen we in colonne naar de haven van Duinkerken afmarcheerden.

Onderweg zagen we ontplofte kanonnen en van allerhande oorlogstuig.

Tegen een uur of zes, ver in de namiddag, kwamen we bij ‘n boot die voor ons klaar lag en we gingen meteen door aan boord we belandden in het tussenruim.

‘s Avonds om 10 uur vertrok de boot en die mocht niet rechtstreeks oversteken naar Engeland want er lagen verderop in ‘t Kanaal overal magnetische mijnen.

We zouden daarom onder de kust vanaf Duinkerken naar Cherbourg varen want daar was de baan van mijnen geveegd.

Daarna zouden we dus oversteken naar Engeland. Maar zover kwam het niet !

Toen we twee uren gevaren hadden, van 10 tot 12 uur, kwamen de Stuka’s over.

Kwart over twaalf, was ‘t op m’n “Lambers van Driel” zakhorloge.

Die zetten drie lichtkogels boven onze boot en begonnen te schieten en bombarderen.

Wij hadden geen wapens, niks!!

De zegeningen van de Generale Absolutie van Cadzand was iedereen totaal vergeten…

Er brak een ontzettende paniek uit…

Geschreeuw en gevloek.. ik kan dat niet verteld krijgen… niet uitleggen hoe afschuwelijk gruwelijk die paniek was… alle beheersing weg…. de boot raakte meteen in brand, ze hadden er brandbommen opgegooid… door ‘t licht van die vlammen heb ik zwaargewonden gezien afgrijselijk…’n afschuwelijke hel.

Ik heb ‘n vaandrig gezien… ben bij ‘m neergeknield … maar die was niet te helpen.. z’n linkerarm volledig weg .. ‘n gapend gat waardoor ik het hart zag kloppen…

Daar moet je niet van schrikken… daar moet je tegen kunnen…

Ik was schijnbaar keihard… ik heb altijd gezegd… ik kom er wel.

Ik heb zoveel mogelijk mensen proberen te helpen ook met bindingen en zo… met alles wat voorhanden was… putties… veel was er niet… maar het werd te heet.

Ik sprong naar de balken van het dek boven mij, greep ze vast maar terwijl ik daar zo hing om mij op te trekken, probeerden ze in paniek over mij heen te klimmen…

ik moest loslaten… maar ik was sportman.. steeds opnieuw springen… opnieuw loslaten… op ‘n bepaald ogenblik klommen er ‘n stuk of drie over mij heen en die waren nog eerder boven dan ik…

dan klampten er zich soldaten vast aan mijn helm die aan m’n hals hing totdat ik op ‘n gegeven moment in opperste ademnood in volle benauwdheid ik dreigde te stikken…

Ik dacht dat ik dood ging…. en dat wilde ik niet… ik sloeg om me heen… rukte zelf m’n helm van mijn hoofd en smeet hem ver van mij weg.

Toen ik boven kwam op het dek… ben ik verder gegaan met helpen, met te redden wat er te redden was, gewonden geholpen, zoveel mogelijk verzorgd…

Ik was overal en altijd inzetbaar … ik stond altijd vooraan, ik deed alles, alles wat anderen niet durfden, durfde ik wel… ik was in staat alles opzij te zetten… ik heb altijd ‘n rotsvast vertrouwen gehad dat ik nog thuis zou komen met die gedachten heb ik toen altijd geleefd.

Dat was misschien een niet te rijmen gedachte… te midden van dat oorlogsgeweld, midden in die ellende… meer ellende kan ‘n mens niet verdragen.

Het verbrande vlees van mensen, dat kon je zo goed ruiken, je kunt gewoon niet geloven hoe vies dat is.

Maar ja dan moet je er door heen en dan moet je er wel tegen kunnen.

Sommigen zijn toen dol gedraaid! We haalden de gewonden met touwen naar boven.. er werd geschreeuwd, gevloekt en gekermd.

We verzorgden hen, ondertussen begon men de eerste boten te water te laten.

Op de boot waren vier reddingsboten, aan elke kant twee die in davits hingen.

In die eerste boten wilde ik helemaal niet want ‘t was nog donker.

Ik dacht ik blijf zolang mogelijk.

In de eerste reddingsboot zaten enkele officieren.

Bij de tewaterlating kwam die schuin te hangen waardoor de inzittenden in zee terecht kwamen.

‘n Val van zo’n ruim tien meter!

Omdat ook de tweede takel brak viel daarna de hele boot!

Er waren heel veel mensen overboord gesprongen en ook velen die via staalkabels naar beneden zijn gegleden waarbij hun handen vol staalsplinters raakten en open schuurden.

Even werd onze aandacht door deze drama’s vastgehouden maar er was meer te doen dan op en neer te lopen.

Bij het licht van afgeschoten lichtkogels hebben we daarna op het dek met zo’n man of twintig nog vlotten gemaakt, te water gelaten en gewonden over boord geholpen en de vlotten met gewonden al zwemmend in de richting van de kust gedrukt.

Het was licht toen we de kust strompelend en struikelend bereikten waar we kennis maakten met Franse burgers die toegesneld waren om ons te helpen.

Ik weet ‘t nog wel, ik heb toen ‘n drankje gekregen, want ik schijn er ook wel uitgezien te hebben.

En toen heb ik van ‘n mevrouw ‘n drankje gekregen dat zoet proefde, ik denk dat het rum was met wat anders gemengd; het was lekker!

Ik kreeg daardoor ‘n veel beter gevoel waarbij men niet moet vergeten dat we allang niet meer gegeten hadden.

Als in ‘n roes zijn we, omringd door oorlogsgeweld, met zo’n honderd man verder getrokken.

Uiteindelijk kwamen we in de buurt van Calais op ‘n boerderij terecht en daar was ‘n kuil met voederbieten en omdat wij zo’n honger hadden zijn we begonnen die knolraap te eten.

Die waren zo taai en zo slap.

Maar we sneden er stukken vanaf.

Toen zijn er daar Duitsers gekomen die koeien hebben geslacht.

Dat werd allemaal voor hen klaargemaakt en voor ons bleef er niets anders dan de door de Duitsers gekookte uier over.

Weer zaten we op taai spul te bijten.

Al vrij vlug zei ik tegen Majoor Lam dat we krijgsgevangen zouden worden gemaakt en dan op transport naar Duitsland zouden worden gesteld.

Ik zei hem dat ik helemaal geen krijgsgevangene wilde zijn, ik wilde er tussenuit met ‘n paar man.

Drie man hadden zich al aangemeld, waaronder sergeant-majoor Godrie, die goed Frans sprak, hij kwam geloof ik uit Roosendaal, die zou in ieder geval mee gaan.

“Majoor Lam” zei ik, “mag ik daarom met m’n kameraden vertrekken; ik wil er tussendoor komen”.

“Ja”, reageerde hij, “maar dat lukt je niet, blijf nou maar bij ons’.

“Nee”, antwoordde ik, “ik wil graag weg”.

“Nou, als je er zo op staat, dan heb je mijn zegen” zuchtte Majoor Lam.

Opgelucht zijn we toen met z’n vieren richting Duinkerken vertrokken: sergeant-majoor Godrie, nog ‘n sergeant en ik met ‘n soldaat uit Den Bosch die ook bakker was, ‘n collega dus!

Kort na ons vertrek volgden wij gespannen de luchtgevechten tussen Engelse en Duitse vliegeniers.

We zagen ook die hele grote Duitse bommenwerpers,

Junkers, met platen die wel op golfplaten leken.

Met hun zware bommen probeerden zij de boten die nog aan de kust waren te vernietigen.

De Engelsen waren ook niet flauw; die hadden luchtballonnen aan staalkabels op een zodanige hoogte dat de zwaar geladen bommenwerpers daar niet overheen konden.

Dat hadden de Engelsen berekend en goed berekend!

De Duitse vliegeniers probeerden er tussendoor te vliegen.

Sommigen lukten dat niet en vlogen tegen de kabels waardoor vleugels afbraken.

Bij het neerstorten ontploften hun zware bommen, een onvoorstelbaar hels kabaal.

Tijdens de luchtgevechten schoten de Engelsen en Duitsers elkaar naar beneden.

Normaal vinden die gevechten op grote hoogten plaats maar daar bij Duinkerken toen niet.

Op honderd meter hoogte zaten ze elkaar achterna, onderste boven en van alles hebben wij gezien.

Wij zagen veel vliegtuigen neerstorten en met hen de vliegeniers.

Tijdens dit gedeelte van de tocht hoorden wij granaten van het zware geschut voorbij suizen… en als je goed oplette kon je ze zelfs zien vliegen en even later de explosies… boemmm… boemmm…

Maar als ze begonnen te fluiten… te fladderen… dan kwamen ze in onze buurt terecht… dan was het potverdorie dekking zoeken…

Toch waren dat dus meestal afgedwaalde projectielen die eigenlijk niet goed functioneerden.

Al heel snel vonden we ons omsingeld door Duitsers; het was `t doodskoppenregiment dat daar met kanonnen en luchtafweergeschut, helemaal compleet, stond opgesteld.

De officier ervan en ik kwamen gelijktijdig op elkaar af.

Hij vroeg mij: “Sind sie auch Germanisch?

” Ik was er wel gelukkig mee dat hij meer op mijn blonde haren dan op m’n uniform lette!

Hij vraagt; “Was willst du?

“. Ik antwoordde: “Nach Holland… nach Hause!”.

Hij grijnsde: “Sie können ruhig nach deine Mutti”.

Ik bleef rustig en vroeg hem: “Auch meine Freunde?”.

“Jawohl, selbstverständlich”.

“Darf ich von Ihnen ein Zettel haben?”.

“Natürlich”.

En tot onze grote opluchting ontvingen wij van hem een briefje met zijn naam erop en voorzien van zijn stempel en handtekening.

En hij raadde ons aan voorlopig met de benenwagen te reizen.

Wij mochten er vervolgens door… en daar wachtten wij geen moment mee…

Want we hadden een goed bruikbare toestemming.

Na veel omzwervingen vanwege het Duitse front in opmars, bereikten wij de omgeving van Valenciennes wat al bezet was door de Duitsers.

Het stikte er van de Hitlerjugend.

Die schoten overal op!

Maar niet op ons want dat mochten ze niet.

We hebben transporten van krijgsgevangen Indiërs, Senegalezen en Fransen gezien.

Ik schat wel 10.000 in ‘n lange eindeloze colonne.

Die Hitlerjugend schoot rustig iemand dood die uit de rij raakte.

En veel zwarten mensen waren ook niet bang, die waren ook fanatiek!

Op ‘n gegeven moment bij dat dorp, waar we ze voorbij zagen trekken, dook zo’n donkere soldaat in de kelder van ‘n café of zoiets, en ‘n Duitser ging hem achterna met zijn geweer.

Die wou hem in de kelder doodschieten en meteen gingen er weer ‘n paar zwarten achter die Duitser aan en die Duitser is niet meer naar boven gekomen.

En wij stonden er gewoon bij te kijken, buiten de rij.

Wij waarschuwden elkaar wel; “Niks zeggen en niet roepen of zo”.

Na vijf dagen dwalen, zonder eten, tussen ontzettend veel vluchtelingen; jonge moeders met kinderen, kinderwagens volgepakt met spullen, oude mannen, bereikten wij Valenciennes.

Daar waren de Duitsers al volop bezig zich in te kwartieren.

Bij ‘n grote villa, midden in de stad, was ‘n plaat “Ortskommandatur”.

Uitgehongerd, stelde ik voordat ik naar de wacht zou gaan.

“Durfde gij dat?”.

“Ja” zei ik, “ik wel”.

” Darf ich der Ortskommandant sprechen”?

Ik liet hem mijn briefje van de Duitse officier van het doodskoppenregiment zien.

Hij controleerde of ik wellicht wapens bij me had en grauwde: “Oben!”.

Dus ik ging naar boven ik meldde me daar.

Ik had geen kepi op, maar ik dacht ‘n soldaat ben je en ik ging gewoon in de houding staan.

Dat vond hij prachtig, het was ‘n kapitein.

“Woher kommen sie”?

Ik antwoordde: “Aus Holland”,

“Und sie wollen zurück nach Holland?’.

Ik zei: “Ja, gerne”.

“Ah, sie wollen zurück nach Holland”.

Zij zaten aan ‘n hele grote tafel, allemaal officieren ….linzensoep met heel veel vlees erin… en ze zaten te smullen… en opnieuw in te scheppen.

Ik schijn er meer dan begerig naar gekeken te hebben… want de kapitein vroeg: “Haben sie hunger?”.

Ik antwoordde: “Ich habe fünf Tage nichts gegessen”.

“Setze dich”.

“Danke”, zei ik, “ich habe auch noch drei Freunde, dürfen die auch mitessen?”.

De militairen gingen ze meteen halen en die zagen al dat eten…

Meteen maande ik hen netjes te eten zoals ze dat thuis geleerd hadden; niet sloeberen, niet slokken.

Ik was bang dat ze zo zouden schrokken dat ze direct daarna zouden moeten overgeven.

En dan was al dat kostbare eten weer weg, dan was mijn hele actie voor niets geweest.

Beloofd was beloofd en we aten ieder maar een bord linzensoep op een na, die at anderhalf bord.

Na gevraagd te hebben of we konden vertrekken zei de Kapitein: “Ich will dich noch etwas mitgeben für unterwegs”.

We ontvingen ‘n groot Duits brood en twee dikke worsten.

Die worsten kwamen uit Holland!

“Da können sie vorläufig von essen”.

Daarop vervolgden wij onze route in de richting die we wilden gaan.

Meteen kwamen we weer vluchtelingen tegen en ik zei dat wij wel lekker hadden gegeten, maar die vluchtelingen hadden natuurlijk ook honger. ‘

t Is toch te gek dat wij met eten lopen te sjouwen en dat hun vergaan van de honger.

En op ‘t moment dat ik dat brood en die twee worsten weggaf aan ‘n stuk of zes vrouwen met kinderwagens, werd er in de lucht geschoten.

Potverdomme…, die hadden natuurlijk met verrekijkers ons gevolgd.

Blad 11 Vervolg relaas Piet van Haaren.

Het geluid kwam niet ver van de Ortskommandantur af.

“Sie mussen zurück kommen”. Ik zeg: “Ik ga terug”. “Durfde gij dat?”.

“Ja natuurlijk, ze hebben toch geroepen dat ik terug moet komen”.

Nou die kapitein was er helemaal van onderste boven dat ik dat had gegeven aan die arme mensen. lk legde het hem uit : “Die menschen haben auch hunger und wir haben gegessen, vorläufig können wir wieder weiter”.

Dat vond hij zo prachtig… Hij zei dat ik nog een keer brood en worst meekreeg maar dat ik het niet meer mocht weggeven.

Laat ik dat niet meer zien, want dat wou hij niet meer hebben.

Ik vind het prachtig wat je hebt gedaan, maar het is voor jullie bedoeld. “Für Ihnen ist das gegeben”. Ik zei: “Ja” en toen hebben we het onder onze jassen gehouden zodat de vluchtelingen het niet meer konden zien.

‘n Eind verder hebben we er ‘n paar sneeën van gehad en daarna toch weer weggegeven; ze waren ver genoeg weg.

Met ons vieren verlieten wij Valenciennes en ‘n tijd later bereikten we Doullens (?) waar ‘n groot feest was van Duitse bruggenbouwers Organisatie Tödt die had ‘n brug hersteld.

Ze waren daar met zo’n vijftig of zestig man boven dat riviertje bezig.

Een van hen, een wat oudere man, zei: “Sie sind wie mein Sohn, ich lade Sie ein”…

I.v.m. het gereedkomen van die brug gingen ze ‘n feestje bouwen… en wij met ons vieren deden mee… goed en veel eten alles overgoten met champagne.

Overigens was dat de eerste keer in mijn leven dat ik champagne dronk.

Ik dacht: “Niet te veel Piet, anders worde gek”.

Die oudere man… die ontfermde zich over mij: “Sie sind mein Sohn”. Die nacht sliepen we allemaal als ossen.

Hier en daar werd er wel gesnurkt… en soms hard geroepen.

Om zes uur kwam er een Duitse officier of zoiets: “Aufstehen… Aufstehen… en sloeg overal tegenaan waar geluid uit kwam.

Die moesten natuurlijk weer verder trekken.

Vanaf Doullens (?) zijn we lopend richting Mons gegaan.

Richting Limburg, verkeerd dus!

Mons was ‘n stadje met hele hoge torenschachten, ‘n mijnwerkersstad.

Daar pas realiseerden we ons dat we niet richting Limburg maar richting Zeeland, richting Brabant in moesten.

We besloten toen helemaal terug te lopen.

We hebben nog getracht auto’s aan te houden.

Velen daarvan waren helemaal gesloten, volgeladen met lijken.

En die stopten dus niet.

Vrachtwagens die dicht zijn hoefde niet aan te houden, want die stoppen niet.

Niet dat ze dat gezegd hadden dat er lijken in lagen, maar je kon af en toe het bloed er uit zien sijpelen.

Dat was voor ons natuurlijk ‘n gruwelijke ervaring. Na heel veel omzwervingen zijn we uiteindelijk in Brussel aangekomen.

We ontdekten een tram die richting Antwerpen zou gaan. “kom op, jongens richting Holland”.

Wij sprongen erop; zo hard reed hij niet.

In Antwerpen konden we niet verder en we moesten weer de tram uit.

We zijn toen meteen te voet verder gegaan, we roken de stal, in de avond/nacht bereikten we Roosendaal.

In die buurt woonde sergeant-majoor Godrie die toen naar huis wilde gaan.

Maar wij hadden geen vervoer daar midden in die nacht.

Wij besloten ons te melden bij het politiebureau. Uiteindelijk hebben we met z’n drieën in de cellen geslapen.

Godrie was op huis aan.

Een paar jonge politiemannen daar in Roosendaal begonnen ons uit te vragen waarop ‘n paar oudere agenten ons vroegen: “Waarom zijn jullie in Limburg al niet gevlucht?”.

Ik antwoordde: “Begrijpen jullie dat niet?

Nou dan hebben jullie nog geen oorlog meegemaakt. Want als je ging vluchten of wegging van de grote groep… dan wasje een deserteur”.

“Ja”, zei ‘n oudere mens, ‘n oudere agent tegen die jonge politieagenten, “kom eens hier kijken!”.

Hadden ze daar op de binnenplaats een betonnen schutting staan daar waren gaten in geschoten, waar ze dus de deserteurs hadden doodgeschoten.

Maar dat wisten die jonge kerels niet.

Hier is dat gebeurd, en als mijnheer van Haaren toen gevlucht was, dan had hij hetzelfde kunnen meemaken.

Toen vroeg ik of ik mocht telefoneren. Het was half juni…

Ik belde naar huis in Oirschot en daar kreeg ik mijn oudste zuster aan de lijn.

En die hadden van horen zeggen dat ik naar de Vesting Holland was gegaan.

En daar hadden ze mij ergens dood zien liggen en ze waren ervan overtuigd dat ik niet meer in leven was.

Ons probleem, tijdens onze tocht tot in Frankrijk en terug, was dat het voor ons niet mogelijk was via het Rode Kruis ons thuis op de hoogte stellen.

Want daaruit zou dan blijken dat je als soldaat in het buitenland was en dat kon nadelig voor je familie zijn.

Toen ik dus thuis opbelde stonden ze ervan te kijken.

“Ja, wanneer kom je?”.

“Ja, zei ik, zo gauw als ik kan”.

Ik heb al zoveel te voet gelopen, dat doe ik niet meer.

Ik heb 650 km gelopen met die zware kistjes en heb nu bloedblaren.

Ik kon ‘s morgens gebruikmaken van trein en bus.

Toen was ik heel snel thuis. Zondag ‘s avonds… thuis waar ik de enige zoon was… met een bakkerij van mijn vader… Allez!

Schoenen uit en naar de bakkerij !!

Om half vier op maandagmorgen stond ik weer in de bakkerij…

Ja… onze vader was er nog een van de oude stempel…

Ons vader en moeder… ze vroegen niet eens waar kom je vandaan?

Ik kon mijn verhaal aan niemand kwijt… de ambtenaren niet…

Ik ben er maar mee door blijven sukkelen…

Onze Piet is thuis… en ik moet weer mee aan het werk…

Al vrij vlug ben ik naar Cadzand naar mejuffrouw Blankert op de Londense Kraai gegaan… naar mijn motor die ik daar had achtergelaten.

Ik betaalde wat staangeld en ben toen op de motor weer terug naar Oirschot gegaan en ben meteen weer begonnen met broodbakken.

M’n hele leven lang… en vertelde ik eindelijk mijn verhaal van Mei 1940, 63 jaar later in december 2002.

De herinneringen aan m’n medesoldaten zijn voor mijn leven in m’n geheugen vastgeklonken.

Advertisements

About Vrijheids strijder

Dat gaat echt niemand , maar dan ook niemand iets aan . aangezien er door koppeling van computers al veel te veel bekend is over mensen !
This entry was posted in de Bilderbergers / NWO, Valse profeten, Zichzelf legaliserende STAATSMAFFIA. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s